Geschiedenis

Markante figuren

 

 

 

Hendrik Arnold Stiels

1756-1814

 

 

Hendrik Arnold Stiels werd geboren in Bilzen op 13 maart 1756 als zesde kind van Arnold Stiels en Joanna Jacobina Van Henis. Vader Arnold Stiels was secretaris en schepen van Binnen-Bilzen, schepen van Hoeselt en achtmaal burgemeester van de stad. Hendrik Arnold werd priester gewijd in 1779. Hij werd beneficier van het altaar van Onze-Lieve-Vrouw in Rosmeer en van het Heilig Kruis in Munsterbilzen. De abdis van Munsterbilzen maakte gebruik van haar “collatierecht” over de parochie Bilzen, en benoemde Hendrik Arnold Stiels in 1789 tot pastoor van zijn geboortestad. Stiels ontpopte zich niet alleen tot een geliefd pastoor maar hij maakte ook naam als secuur administrator. Regels en voorschriften werden duidelijk op papier gezet en oude gebruiken die volgens hem onefficiënt waren, werden afgeschaft. Op heemkundig gebied was Stiels een pionier. Hij liet aantekeningen en geschriften na die van grote waarde zijn voor de geschiedenis van Bilzen. Zijn specialiteit was de genealogie. Hij stelde een Liber genealogiarum samen waarin de samenstelling werd genoteerd van alle Bilzerse gezinnen tussen 1612 en circa 1750. Ook ‘herwaardeerde’ hij de bevolkingslijsten die door enkele van zijn voorgangers waren vervaardigd en voegde er een gedetailleerde lijst aan toe die hijzelf in 1804 had opgesteld. Deze zogenaamd Catalogus incolarum is een opsomming van de bewoners van Bilzen in 1612, 1674, 1735 en 1804.

In 1794 werden onze streken bezet door de Fransen. Stiels werd als eedweigeraar geviseerd door de Frans Administratie en was uiteindelijk verplicht om de vlucht te nemen om aan vervolging te ontsnappen. Hij verbleef als banneling in het Rijnland tot 1802. In 1803 werd hij aangesteld tot ‘primair’ pastoor van Bilzen, voorloper van het ‘dekenambt’. In 1814 brak er in Bilzen een epidemie uit van tyfus. De bezoeken aan zijn zieke parochianen werden pastoor Stiels fataal. Hij overleed aan deze ziekte op 18 juni 1814 in de leeftijd van 58 jaar. Hij werd begraven in het koor van de kerk, in het graf van de adellijke familie von Bocholtz.