Geschiedenis

Markante figuren

 

casabona

 

Jozef van Goethuyse / Giuseppe Casabona

circa 1515-1596

 

 

 

Jodocus of Jozef van Goethuysen, in eigen land een nobele onbekende, in Italië een klinkende naam: Giuseppe Casabona, ook wel Benincasa genoemd.

Zijn kinder- en jeugdjaren blijven een witte vlek in zijn biografie. Zelf noemde hij zich "Jodocus Jodoci de Goethuyse, sive Giuseppe Casabona Monasteriensis Blisiae".

casabonaHij was dus afkomstig van Munsterbilzen, geboren omstreeks 1515 naar men aanneemt. Welk parcours hij hier te lande volgde is niet geweten, maar in 1543 vinden we hem terug in Firenze. Hoogstwaarschijnlijk was het de patriciër Niccolo Gaddi, een erudiet en in de plantkunde onderlegd zakenman, die Goethuyse via zijn agenten in onze contreien had ontdekt en liet overkomen, samen met talrijke andere Vlaamse vaklui en kunstenaars.

Casabona, zoals Goethuyse voortaan heette, werkte zich bij de aanleg en het onderhoud van Gaddi's tuinen zodanig in de kijker dat groothertog Cosimo I de Medici, die regeerde over Firenze, hem opmerkte. Tot Cosimo's grote voldoening verzorgde en onderhield Casabona de granducale tuinen en legde er verschillende nieuwe aan. De hortologe wedijver tussen de patriciërs was ongemeen groot en de vraag naar nieuwe planten nam overhand toe. Casabona werd op exploratie uitgestuurd doorheen diverse streken van het huidige Italië.

 

 

Intussen was hij gehuwd en had hij kinderen met een dochter uit het adellijke Florentijnse geslacht Marucelli.

Onder Ferdinando de Medici, die een echte mecenas was, ontving Casabona de titel van hofbotanicus. Opnieuw ondernam hij botanische reizen, onder andere naar Corsica en Kreta, waarbij hij talloze "nieuwe" planten verzamelde.

obpisa4obpisaobpisa1

 

 

 

 

 

 

In 1591 kreeg hij zijn belangrijkste opdracht van de groothertog: de heraanleg van de botanische tuin van de universiteit van Pisa (foto's). Deze tuin bestaat tot op vandaag en wordt beschouwd als één van de belangrijkste en meest invloedrijke creaties in de botanische wereld.

Op het hoogtepunt van zijn loopbaan in 1596 werd Giuseppe Casabona het slachtoffer van een epidemie.

 

Jammer genoeg zijn slechts weinig van zijn geschriften bewaard gebleven en gingen anderen vaak met de eer voor zijn werk lopen. Toch is zijn belang als botanicus onmiskenbaar en blijft hij in Italië een grote naam, onder meer dank zij een aantal boeken die na zijn dood door bewonderaars aan zijn leven en werk gewijd werden. Hierin wordt Casabona beschreven als "introvert en bescheiden, maar met een drang naar persoonlijke autonomie. Hij was kieskeurig bij sociale contacten en stroef in de omgang, zelfs achterdochtig. Hij was weinig mededeelzaam en hield zijn kennis angstvallig voor zich wat hem bij velen tot vijand maakte. Hij had lak aan plichtplegingen, was positivistisch en nuchter. Hij kon zich langdurig concentreren, had enorm veel zin voor detail, doch miste de gave der synthese. Het ontbrak hem aan handigheid en diplomatie." In hoeverre uit deze karakterschets mag blijken dat van Jodocus zijn Munsterse aard meedroeg laten we hier in het midden.

 

(vrij bewerkt naar het artikel van Jean-Paul Goethuys in Bilisium jg.11 nr.2, afbeeldingen op deze pagina met toestemming van het Dipartimento di Biologia, Università di Pisa - Orto Botanico di Pisa)